13
| Het verschil met zijn en waren Zijn en waren werken in de taal heel vaak samen met een voltooid deelwoord. Dit zijn woorden die vaak beginnen met ge-, be- of ver-, zoals gegeten, gelopen, gebleven of vergeleken. Zijn = Het gaat over: mensen, dieren, planten en dingen. 1. Zijn = Hoe het nu is. • Voorbeeld: De kinderen zijn jong - De huisdieren zijn lief - De planten zijn groen - De kasten zijn nieuw. 2. Zijn geweest = Nu net, heel kort geleden. • Voorbeeld: De kinderen zijn jong geweest - De huisdieren zijn lief geweest - De planten zijn groen geweest - De kasten zijn nieuw geweest. Waren = Het gaat over: mensen, dieren, planten en dingen. 1. Waren = Hoe het toen was. • Voorbeeld: De kinderen waren jong - De huisdieren waren lief - De planten waren groen - De kasten waren nieuw. 2. Waren geweest = Op de dag zelf, of al veel eerder (langer geleden). • Voorbeeld: De kinderen waren jong geweest - De huisdieren waren lief geweest - De planten waren groen geweest - De kasten waren nieuw geweest. |
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Bij.w ( er wel / niet) — Voltooid woord (geweest?) Vraagzinnen Hulp. ww(is / was) — Wie (de jongen) — Bij.w (er wel / niet) — Voltooid woord (geweest?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Bij.w (wel / niet) — waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest.) Vraagzinnen Hulp. ww (is / was) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / niet) — waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest?) Vraagzinnen Hulp. ww (is / was) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / niet) — Waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (geweest) Vraagzinnen w.w (is / was) — Wie (de jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Waar (in de klas) — Voltooid woord (geweest?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (is / was) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Bz.vnw / wie / Wat (zijn zusje) — Waar ( naar de klas.) — Voltooid woord (gegaan) Vraagzinnen Hulp. ww (is / was) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel /niet) — Bz.vnw / wie / wat (zijn zusje) — Waar (naar de klas) — Voltooid woord (gegaan?) Zinnen 5 ≡ |
14
| Het verschil met willen en mogen Willen = Een wens of een plannetje. Je kiest het zelf. Willen en moeten werken echt samen. Ze versterken elkaar! • Voorbeeld: Ik wil het hebben, omdat ik het moet hebben! Mogen = Toestemming. Een ander (of de wet) geeft je toestemming of de ruimte om het te doen. Mogen werkt mooi samen met hoeven. • Voorbeeld: Je mag zwemles nemen, maar je hoeft het niet te doen. |
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Bij.w (wel / niet.) Vraagzinnen Mod. ww(wil / mag) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet?) — Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Bij.w (wel / niet) — waar (naar school.) Vraagzinnen mod. ww (wil / mag) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — waar (naar school?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / altijd /niet / geen/ nooit) — waar (naar school.) Vraagzinnen mod. ww (wil / mag) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Waar (naar school?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Waar (op school) — Actie ww. ( eten.) Vraagzinnen mod ww (wil / mag) — Wie (de jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Waar (op school) — Actie ww. (eten?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — mod. ww (wil / mag) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Bz.vnw / Bijv.nw / Wat (zijn rode appel) — Waar ( op school) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen mod. ww (wil / mag) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel/ altijd /niet / geen/ nooit) — Bz.vnw / Bijv.nw / Wat (zijn rode appel) — Waar (op school) — Actie ww. (eten?) Zinnen 5 ≡ |
15
| Het verschil met moeten en hoeven 1. Het moet wel, want het is verplicht. Dit moet je weten: Bij moeten mag je het Bij.w (wel / niet) gebruiken in een zin, maar het hoeft niet. Bij korte zinnen gebruiken we het woordje "wel" vaak extra om te laten zien dat het écht verplicht is. 2. Het mag wel, maar je hoeft het niet te doen. Dit moet je weten: Hier gelden 2 regels: • Bij hoeven moet je altijd een ontkenning "niet, geen of nooit" gebruiken. • Het woord hoeven kan bijna nooit alleen staan. Er moet altijd het woordje "te" direct vóór het Actie.ww staan (bijvoorbeeld: te eten, te schrijven). |
1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Mod.ww (moet / hoeft) — Bij.w (wel / niet.) Vraagzinnen Mod.ww(moet / hoeft) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet?) — Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Mod.ww (moet / hoeft) — Bij.w (wel / niet) — Waar / naar (naar school.) Vraagzinnen Mod.ww (moet / hoeft) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — Waar / naar (naar school?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Mod.ww (moet / hoeft) — Wanneer (vandaag) — Bij.w ( __/ niet / geen/ nooit) — Waar (naar school.) Vraagzinnen Mod.ww (moet / hoeft) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w ( __ / niet / geen / nooit) — Waar / naar (naar school?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Mod.ww (moet / hoeft) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (niet / geen/ nooit) — Waar (op school) — Actie.ww ( te eten.) Vraagzinnen Mod.ww (moet / hoeft) — Wie (de jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (niet / geen / nooit) — Waar / naar (op school) — Actie.ww (te eten?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Mod.ww (moet / hoeft) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (niet / geen/ nooit) — Bz.vnw / Wat (zijn appel) — Waar / waar ( op school) — Actie.ww ( te eten.) Vraagzinnen Mod.ww (moet / hoeft) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (niet / geen / nooit) — Bz.vnw / Wat (zijn appel) — Waar / naar (op school) — Actie.ww (te eten?) Zinnen 5 ≡ |
16
| Het verschil met kennen en kunnen Kennen = Weten wat je geleerd of wie je ontmoet hebt. • Voorbeeld: De jongens kennen de toets. Kunnen = Iets wat je met je lichaam of je hoofd kunt doen. • Voorbeeld: De jongens kunnen goed voetballen. Uitzondering met kennen / kunnen Als er in een zin een plaats staat (met in, op of onder) of een specifiek ding met een bezit (van mijn, jouw, haar), dan zet je het woord wel of niet er altijd direct voor. • Voorbeeld: Wie (De jongens) - Mod.ww (kunnen) - Wanneer/Tijd (iedere avond) - Bij.w (niet) - Bz.vnw / Waar(onder hun douche) - Actie.ww (springen). |
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Mod.ww (ken / kan) — Bij.w (wel / niet.) Vraagzinnen Mod.ww(ken / kan) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet?) — Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Mod.ww (ken / kan) — Bij.w (wel / niet/ geen) — Actie.ww (leren/ doen.) Vraagzinnen Mod.ww (Ken / kan) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet / geen) — Actie.ww (leren/ doen?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende en ontkennende zinnen. Kennen / Kenden: Wie (De jongen) — Mod.ww (kent / kende) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school) — Bij.w (wel / niet). Kunnen / Konden: Antw.part (Ja / nee) — Wie (De jongen) — Mod.ww (kan / kon) — Bijw. (wel / niet / geen) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school.) Vraagzinnen kennen / kenden:: Antw.part (Ja / nee) — Mod.ww (Kent / kende) — Wie (de jongen) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school) — Bij.w (wel / niet ?) Kunnen / Konden: Mod.ww. (Kan / kon) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet / geen) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school.) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. Kennen / Kenden: Wie (De jongen) — Mod.ww (kent / kende) — Wanneer / tijd (vandaag) — Wat (de weg) — Waar / naar (naar school) — Bij.w (wel / niet.) Kunnen / Konden: Antw.part (Ja / nee) — Wie (de jongen) — Mod.ww (kan / kon) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet / geen) — Wat (de weg) — Waar /naar (naar school) — Actie ww. (onthouden). Vraagzinnen Kennen / Kenden: Mod.ww (Kent / kende) — Wie (de jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Wat (de weg) — Waar/ naar (naar school) — Bij.w (wel / niet?) Kunnen / Konden: Mod.ww (Kan / kon) — Wie (De jongen) — Wanneer/ tijd (vandaag om 10 uur) — Bij.w (wel / niet / geen) — Wat (de weg) — Waar/ naar (naar school) — Actie ww. (vinden?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Kennen / Kenden: Wie (De jongen) — Mod.ww (Kent / kende) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Wat (de weg) — Bz.vnw / waar/ naar (naar zijn school) — Bij.w ( wel / niet.) — Kunnen / Konden: Wie (De jongen) — Mod.ww (kan / kon) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Wat (de koffie) — Bz.vnw / waar/ naar (in zijn huis) — Bij.w ( wel / niet) — Actie.ww (drinken) Vraagzinnen Kennen / Kenden: Mod.ww (Kent / kende) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — wat (de weg) — Bz.vnw/ Waar/ naar (naar zijn school) — Bij.w (Wel / niet?) Kunnen / Konden: Mod.ww (Kent / kende) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag om 10 uur) — Wat (de koffie) — Bz.vnw/ Waar/ naar (in zijn huis) — Bij.w (Wel / niet) — Actie.ww (drinken? Zinnen 5 ≡ |
1
| 1. Doe deze oefeningen allemaal! Download eerst de opgavenboekjes B1 Luisteren.≡ 2. Lezen Oefen examen lezen B1'21 ≡ Oefen examen lezen B1'22 ≡ Oefen examen Lezen B1 '23 ≡ Oefen examen Lezen B1 '24 ≡ 3. Online oefenen schrijven B1: 1. ≡ 2. ≡ 3. ≡ ONA Werken in Nederland (werkportal) ≡ Oriëntatie op de nederlandse arbeidsmarkt 1 ≡ Oriëntatie op de nederlandse arbeidsmarkt 2 ≡ |