We zijn bezig om deze pagina te verbeteren, maar je kunt deze pagina gewoon gebruiken.

B1examens kun je vinden op TN 5 vak onderaan

 

1

Welke woorden horen bij elkaar?
Sommige woorden betekenen ongeveer hetzelfde. Dit noemen we synoniemen.
Lees eerst goed de zin met het vetgedrukte woord.

Belangrijke tip voor deze oefening:
Sommige woorden zijn best moeilijk.
Gebruik daarom een woordenboek van het Nederlands naar jouw eigen taal.
Zoek de precieze betekenis op van de woorden.
Zo kun je de juiste woorden gemakkelijk bij elkaar zetten. Succes!
Zelfstandige naamwoorden
1. 2. 3.

Werkwoorden
1. 2. 3.

Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden
1. 2. 3.

2

Voltooide tijd:Verplichte oefeningen
Voltooid deelwoord
Video: uitleg de voltooide tijd.
Online oefenen 1
Online oefenen 2
1. Zet de voltooide tijd in de juiste zin.
2. Zet de voltooide tijd in de juiste zin.
3. Voltooide tijd.

3

Nt2 A2 online oefenen: Grammatica
Online oefenen
3. De apostrof.
6. Werkwoorden van positie.

4

Begrijpend lezen Verplichte oefening.
Online oefenen
1. Spanje.
2. Appeltaart en regenboog
3. De deur
4. Kussen gevecht
5. Tropisch, fantastisch ≡
6. Titel en kopjes
7. Lezen einde a2
8. Spreekwoorden 1
9. Spreekwoorden 2

5

1. Signaalwoorden en spreken Verplichte oefening.
Wat doen deze signaalwoorden?

Signaalwoorden: zijn de "verkeersborden" in een tekst.
Ze vertellen de lezer welke kant het verhaal opgaat.

Wat doen signaalwoorden?
Signaalwoorden geven een verband aan tussen zinnen.
Ze helpen je om de tekst beter te begrijpen.

1. Tijd: Wanneer gebeurt het?
Signaalwoorden: die te maken hebben met de tijd zijn:
• Voorbeeld: eerst, daarna, later, vroeger
1. Signaalwoorden: 1 2. 3. Spreken 4.

2. Opsomming: Er komt nog iets bij.
Signaalwoorden: die te maken hebben met een opsomming zijn:
• Voorbeeld: en, ook, daarnaast, bovendien
2. Signaalwoorden: 1. 2. 3. Spreken 4.

3. Tegenstelling: Het is anders dan je denkt.
Signaalwoorden: die te maken hebben met een tegenstelling zijn:
• Voorbeeld: maar, hoewel, toch, ondanks
3. Signaalwoorden: 1. 2. 3. Spreken 4.

4. Reden of Oorzaak: Waarom is het zo?
Signaalwoorden: die te maken hebben met een reden of oorzaak zijn:
• Voorbeeld: omdat, want, daardoor, doordat
4. Signaalwoorden: 1. 2. 3. Spreken 4.

Taal / schrijven

1

Signaalwoorden 1

Signaalwoorden 2

Signaalwoorden 3

Verwijswoorden

Woorden koppelen

 

4

Verplichte taal oefeningen:
Online oefenen
1. Spellen.
2. Voegwoorden.
3. Woordenschat.
4. Welke zinnen horen bij elkaar.
5. Welke zinnen horen bij elkaar 2.
6. Welke zinnen horen bij elkaar 3.
7. Welke zinnen horen bij elkaar 4.

Online oefenen: 2 

Hussel zinnen (1)

Hussel zinnen (2)

Hussel zinnen (3)

Hussel zinnen (4)

Hussel zinnen (5)

13

Verplichte oefeningen: Zinnenmaken (o.t.t. en o.v.t.)
Hier worden de hutselzinnen van TN3 op een andere manier geschreven.(Let op!: Dit is een tussenstap naar de voltooide tijd. Dit betekent dat we hier nog geen voltooide tijd gebruiken)
1. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Actie ww. (eten.)

Vraagzinnen
Hulp. ww (Moet / Wil) — Wie (de jongen) — Actie ww. (eten?)

Zinnen 1

2. Bevestigende zinnen.
wie (De jongen) — Hulp. ww (wil / moet) — Wat (een appel) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.)

Vraagzinnen
Hulp. ww (wil / moet) — Wie (de jongen) — Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Actie ww. (eten?)

Zinnen 2

3. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Hulp. ww (wil / moet)— Wanneer/Tijd (in de pauze) — wat (een appel.) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.)

Vraagzinnen
Hulp. ww (wil / moet) — Wie (de jongen) — Wanneer/Tijd (in de pauze)<— Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Actie ww. (eten?)

Zinnen 3

4. Bevestigende zinnen.
wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bijv.nw / Wat (een groene appel) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.)

Vraagzinnen
Hulp. ww (Moet /wil) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bijv.nw/ wat (een groene appel) —— Waar (in de klas?) — Actie ww. (eten?)

Zinnen 4

5. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (geen) — Bz.vnw / Wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas.)

Vraagzinnen
Hulp. ww (Moet / wil) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bz.vnw / wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas?) — Actie ww. (eten?)

Zinnen 5

14

Verplichte oefeningen: Zinnen maken in de voltooide tijd met hebben en hadden in enkelvoud en meervoud.
Het verschil met het hulp.ww hebben en hadden

De samenwerking met het voltooid deelwoord
Net als zijn en waren werken hebben en hadden heel vaak samen met een voltooid deelwoord (woorden met ge-, be-, ver-
Zoals gehad, gegeven, vergeleken, beleefd.

Hebben = Nu (tegenwoordige tijd). Het is een bezit of iets wat je gaat geven.
Bezit nu: Ik heb een nieuwe auto.
Geven nu: Ik heb een appel voor jou. - Jij hebt mij een appel gegeven.

Hadden = Toen (verleden tijd). Het was vroeger een bezit of iets wat je toen ging geven.
Bezit toen: Ik had een appel voor jou.
Geven toen: Ik had gisteren een appel voor jou. - Ik had van jou gisteren een appel gekregen.
1. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Bij.w (wel / niet) — Voltooid woord (gegeten?)

Vraagzinnen
Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — Voltooid woord (gegeten?)

Zinnen 1

2. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Bij.w (wel / geen) — Wat (een appel) — Voltooid woord (gegeten?)

Vraagzinnen
Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / geen) —Wat (een appel) — Voltooid woord (gegeten?)

Zinnen 2

3. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / geen) — Wat (een appel) — waar (in de klas) — Voltooid woord (gegeten?)

Vraagzinnen
Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / geen) —Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Voltooid woord (gegeten?)

Zinnen 3

4. Bevestigende zinnen.
wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / geen) — Bijv.nw / Wat (een groene appel) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (gegeten?)

Vraagzinnen
Hulp. ww (heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / geen) — Bijv.nw/ wat (een groene appel) —— Waar (in de klas?) — Voltooid woord (gegeten?)

Zinnen 4

5. Bevestigende zinnen.
Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Bz.vnw / Wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (gegeten?)

Vraagzinnen
Hulp. ww (heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel /niet) — Bz.vnw / wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas?) — Voltooid woord (gegeten?)

Zinnen 5