Korte verhaaltjes lezen: Kern 7 & 8
Begrijpend lezen
pdf-bestanden kan je gebruiken. Maar oefen dit met een taalcoach ≡
Bij de verhaaltjes zitten ook vragen bij, die moet je invullen.
Extra opdracht: Zoek de woorden op, die je niet kent. Bijvoorbeeld: met een woordenboek. Of, via Google Translate ≡
Online oefenen:
Persoonlijke voornaamwoorden 😨
Persoonlijk voornaamwoord & Bezittelijk voornaamwoord uitleg ≡
Persoonlijk voornaamwoord oefenen 1 2
Bezittelijk voornaamwoord oefenen 1 2
Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoorden oefenen 1
Spreekwoorden 1 ≡
Spreekwoorden 2 ≡
Hussel zinnen (1)
Hussel zinnen (2)
Hussel zinnen (3)
Hussel zinnen (4)
Hussel zinnen (5)
Woorden schat: Van a tot z
Serie IJ
Serie Z
Eerst woorden dictee en dan zinnen dictee
Dictee 7 ≡ Zet hoofdletters aan
Dictee 8 ≡ Zet hoofdletters aan
*
| Doe deze oefeningen allemaal! Download eerst de opgavenboekjes B1 Luisteren.≡ Oefen examen lezen B1'21 ≡ Oefen examen lezen B1'22 ≡ Oefen examen Lezen B1 '23 ≡ Oefen examen Lezen B1 '24 ≡ Online oefenen schrijven B1: 1. ≡ 2. ≡ 3. ≡ ONA Werken in Nederland (werkportal) ≡ Oriëntatie op de nederlandse arbeidsmarkt 1 ≡ Oriëntatie op de nederlandse arbeidsmarkt 2 ≡ |
-
| Online oefenen 1. Mozart 250 jaar ≡ 2. Nederlanders leven gezonder ≡ 3. De 2e Kamerverkiezingen ≡ 4. In de bergen ≡ 5. Meer mensen in Nederland ≡ 6. Een beter milieu≡ 7. Rembrandt ≡ 8. Antarctica ≡ 9. Een depressie? ≡ 10. Minder vrije tijd ≡ 11. Een burn-out? ≡ Leesteksten A2. Download de bestanden Werkboek ≡ |
1
| Voltooid deelwoord Video: uitleg de voltooide tijd. ≡ Online oefenen 1 ≡ Online oefenen 2 ≡ 1. Zet de voltooide tijd in de juiste zin. ≡ 2. Zet de voltooide tijd in de juiste zin. ≡ De werkbladen Download de bestanden 1. Werkbladen voltooide tijd . ≡ 2. Werkbladen voltooide tijd ≡ |
13
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet / Wil) — Wie (de jongen) — Actie ww. (eten?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (wil / moet) — Wat (een appel) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (wil / moet) — Wie (de jongen) — Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Actie ww. (eten?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (wil / moet)— Wanneer/Tijd (in de pauze) — wat (een appel.) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (wil / moet) — Wie (de jongen) — Wanneer/Tijd (in de pauze)<— Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Actie ww. (eten?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bijv.nw / Wat (een groene appel) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet /wil) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bijv.nw/ wat (een groene appel) —— Waar (in de klas?) — Actie ww. (eten?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (geen) — Bz.vnw / Wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet / wil) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bz.vnw / wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas?) — Actie ww. (eten?) Zinnen 5 ≡ |
13A
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Bij.w (wel / niet) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Bij.w (wel / geen) — Wat (een appel) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / geen) —Wat (een appel) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / geen) — Wat (een appel) — waar (in de klas) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / geen) —Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / geen) — Bijv.nw / Wat (een groene appel) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / geen) — Bijv.nw/ wat (een groene appel) —— Waar (in de klas?) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Bz.vnw / Wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel /niet) — Bz.vnw / wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas?) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 5 ≡ |