We zijn bezig om deze pagina te verbeteren, maar je kunt deze pagina gewoon gebruiken.
B1examens kun je vinden op TN 5 vak onderaan
1
| Zelfstandige naamwoorden 1. ≡ 2. ≡ 3. ≡ Werkwoorden 1. ≡ 2. ≡ 3. ≡ Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden 1. ≡ 2. ≡ 3. ≡ |
5
| Wat doen deze signaalwoorden? Signaalwoorden: zijn de "verkeersborden" in een tekst. Ze vertellen de lezer welke kant het verhaal opgaat. Wat doen signaalwoorden? Signaalwoorden geven een verband aan tussen zinnen. Ze helpen je om de tekst beter te begrijpen. 1. Tijd: Wanneer gebeurt het? Signaalwoorden: die te maken hebben met de tijd zijn: • Voorbeeld: eerst, daarna, later, vroeger 1. Signaalwoorden: 1 ≡ 2. ≡ 3. ≡ Spreken 4. ≡ 2. Opsomming: Er komt nog iets bij. Signaalwoorden: die te maken hebben met een opsomming zijn: • Voorbeeld: en, ook, daarnaast, bovendien 2. Signaalwoorden: 1. ≡ 2. ≡ 3. ≡ Spreken 4. ≡ 3. Tegenstelling: Het is anders dan je denkt. Signaalwoorden: die te maken hebben met een tegenstelling zijn: • Voorbeeld: maar, hoewel, toch, ondanks 3. Signaalwoorden: 1. ≡ 2. ≡ 3. ≡ Spreken 4. ≡ 4. Reden of Oorzaak: Waarom is het zo? Signaalwoorden: die te maken hebben met een reden of oorzaak zijn: • Voorbeeld: omdat, want, daardoor, doordat 4. Signaalwoorden: 1. ≡ 2. ≡ 3. ≡ Spreken 4. ≡ |
13
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet / Wil) — Wie (de jongen) — Actie ww. (eten?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (wil / moet) — Wat (een appel) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (wil / moet) — Wie (de jongen) — Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Actie ww. (eten?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (wil / moet)— Wanneer/Tijd (in de pauze) — wat (een appel.) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (wil / moet) — Wie (de jongen) — Wanneer/Tijd (in de pauze)<— Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Actie ww. (eten?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bijv.nw / Wat (een groene appel) — Waar (in de klas.) — Actie ww. (eten.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet /wil) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bijv.nw/ wat (een groene appel) —— Waar (in de klas?) — Actie ww. (eten?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (Moet / wil) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (geen) — Bz.vnw / Wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas.) Vraagzinnen Hulp. ww (Moet / wil) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Tijd (om 10 uur) — Bij.w (wel) — Bz.vnw / wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas?) — Actie ww. (eten?) Zinnen 5 ≡ |
14
| Het verschil met het hulp.ww hebben en hadden De samenwerking met het voltooid deelwoord Net als zijn en waren werken hebben en hadden heel vaak samen met een voltooid deelwoord (woorden met ge-, be-, ver- Zoals gehad, gegeven, vergeleken, beleefd. Hebben = Nu (tegenwoordige tijd). Het is een bezit of iets wat je gaat geven. • Bezit nu: Ik heb een nieuwe auto. • Geven nu: Ik heb een appel voor jou. - Jij hebt mij een appel gegeven. Hadden = Toen (verleden tijd). Het was vroeger een bezit of iets wat je toen ging geven. • Bezit toen: Ik had een appel voor jou. • Geven toen: Ik had gisteren een appel voor jou. - Ik had van jou gisteren een appel gekregen. |
| 1. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Bij.w (wel / niet) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / niet) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 1 ≡ 2. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Bij.w (wel / geen) — Wat (een appel) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Bij.w (wel / geen) —Wat (een appel) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 2 ≡ 3. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / geen) — Wat (een appel) — waar (in de klas) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (Heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag) — Bij.w (wel / geen) —Wat (een appel) — Waar (in de klas) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 3 ≡ 4. Bevestigende zinnen. wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / geen) — Bijv.nw / Wat (een groene appel) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / geen) — Bijv.nw/ wat (een groene appel) —— Waar (in de klas?) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 4 ≡ 5. Bevestigende zinnen. Wie (De jongen) — Hulp. ww (heeft / had) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel / niet) — Bz.vnw / Wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas.) — Voltooid woord (gegeten?) Vraagzinnen Hulp. ww (heeft / had) — Wie (de jongen) — Wanneer / tijd (vandaag / om 10 uur) — Bij.w (wel /niet) — Bz.vnw / wat (zijn groene appel) — Waar (in de klas?) — Voltooid woord (gegeten?) Zinnen 5 ≡ |