Welkom op Tn2.

 

🧱 Wat leer je op deze pagina (TN 2)?

Op deze pagina leer je de Nederlandse taal vanaf de absolute basis. Je start bij niveau A0 en we brengen je stap voor stap naar niveau A2.

 

  • De Klanken: Je begint hier met de moeilijker klanken, zoals de ng en de sch. Ook oefen je met de de verkleinwoorden, en de e, ij die soms anders klinkt. Dit doe je met woorden in een leuk en actief lesspel.

  • Woorden & Letters: Je oefent met rijmen en zet woorden in alfabetische volgorde. Ook leer je wanneer je een hoofdletter moet gebruiken.

  • Grammatica 2: Je leert alles over enkelvoud en meervoud, woordvorming en de lidwoorden (de en het). Ook leer je hoe je zinnen maakt en komen brieven lezen en schrijven aan bod.

  • Kijken & Begrijpen: Je oefent met video's om beter te leren luisteren en te begrijpen.

  • Begrijpend lezen 2: Dit bestaat uit nieuwe teksten lezen en begrijpen, en we oefenen voor een IEP-toets.

  • Wat ga je doen?
    De lessen die je gaat doen, staan per set. Het is de bedoeling dat je alle vakjes en sets gaat doen. Herhaal de lessen tot je het begrijpt.

Kun je een keer niet naar de les komen?
Geen probleem! Onderaan de pagina staan handige themaboekjes die je thuis kunt gebruiken om samen met een vriend of vriendin te oefenen. Als je deze pagina hebt afgerond, ben je helemaal klaar voor TN 3!

 


1. De andere klanken.

 

De andere klanken: zijn moeilijk, omdat ze de klangen compleet anders met je mond en keel moet gaan gebruiken. of de klank veranderd.          

     Kijk naar het voorbeeld

1. De ng en nk-klank: is een speciale klank in het Nederlands. De ng-klank klinkt alsof je verkouden bent. Je neus doet ook mee, want het is een neusklank. 

  • Hoe doe je dit? Je maakt deze klank door de achterkant van je tong tegen het zachte deel boven in je mond te drukken.

2. De ch-klank en de sch-klank

Soms zie je twee of drie letters, maar je hoort eigenlijk maar één of twee klanken.

     De ch-klank (De g-klank)

  • De letters ch klinken precies hetzelfde als de letter g.

    De sch-klank: niet gaan schrapen met je keel, want dit gaat pijn doen.

  • Hoe doe je dit? Spreek de s en de g samen uit als sg. Zeg het nu eens een stukje harder! Dan hoor je vanzelf de goede klank.

3. Soms fopt de Nederlandse taal je. Je schrijft een e of een ij, maar je zegt een u!

  • De letter E klinkt als een U: Dit gebeurt heel vaak aan het einde van een woord, of in kleine woordjes. Je mond hoeft bijna niet open.
  • De letters IJ klinken als een U: Dit gebeurt bij woorden die eindigen op -lijk. Je schrijft lijk, maar je zegt luk!

 

  • Wat doe je? Hier luister je eerst naar de woorden en daarna spreek je het woord hardop uit.

1. De  ng en nk-klanken

1. De ng-klanken 
2. De nk-klanken 

 

2. De ch-klank en de sch-klank

1. De sch-klank  

2. De ch klinkt als een g
1.     2.     3.     4.     5. 

 

3. De e en de ij die klinken als een U

1. Een e is soms een u
1.     2.     3.     4.     5. 

2. Een e die klinkt als een o
1.     2.     3.     4.     5. 

3. De e klanken door elkaar
1. 

4. Een ij die klinkt als een u
1.     2.     3.     4.     5. 


5. De ch en ij klanken door elkaar
1. 


2. De lidwoorden

 

Wat zijn lidwoorden?

  • In het Nederlands gebruiken we lidwoorden voor een ander woord. Er zijn er drie: de, het en een.

    Je zet ze voor woorden van mensen, dieren of dingen. Bijvoorbeeld: de man, het kind, een hond.

    Wanneer gebruik je nou de of het? Dat is best moeilijk! Er is niet één vaste regel voor. Dit is iets wat je moet leren, moet gaan aanvoelen of moet opzoeken. En denk maar zo: heel veel mensen maken hier fouten mee! Je bent dus niet de enige.

  • Dit is je hulplijn: Welk lidwoord moet ik gebruiken?
  • Wat doe je? Eerst bekijk je de video en daarna doe je het lidwoordenspel. Als laatste ga je met het werkblad werken.

1. Lidwoorden.
2. Lidwoordenspel.
3. Werkblad lidwoorden.

3. De verkleinwoorden

Wat zijn verkleinwoorden?

In het Nederlands maken we woorden vaak kleiner. Dat doen we om te laten zien dat iets klein is, of omdat we het gezellig vinden!

Je maakt een woord kleiner door er een stukje achter te plakken. Schrijf het met: -je, -tje of -pje? dan is het enkelvoud

 

  • Een verkleinwoord in het enkelvoud is ALTIJD een het-woord.

Schrijf het met: -jes, -tjes of -pjes? Dan is het meervoud.

  • Een verkleinwoord in het meervoud is ALTIJD een de-woord.

 

1. Verkleinen met: -je.
2. Verkleinen met: -tje.
3. Verkleinen met: -pje.

 


4. Dit hier en die daar

 

Wat doe je? Je begint met de uitleg en dan maak je de lessen op Wordwall. Klik iedere keer op het juiste antwoord. En je gaat zinnen schrijven. Je eindigt met de herhaling.

 

1. Dit en dat
1. De uitleg dit en dat        2.     3.     4. Typ de zin 

2. Deze en die                                                                                       1. De uitleg deze en die       2.   3.   4. Typ de zin

3. In de mix dit, dat, deze en die
1.     2.     3.     4.     5.     6. 

Download aanwijzende voornaamwoorden pdf 


 5. De rijmwoorden.

  • Wat zijn rijmwoorden?

    Rijmwoorden zijn woorden die aan het einde hetzelfde klinken. Je hoort dezelfde klank in je oor! ze eindigen meestal wel met de zelfde eind letters van een woord.


    Waar worden ze gebruikt?

    Je komt rijmwoorden in het dagelijks leven op veel plekken tegen:

    • 🎵 In liedjes: Bijna alle liedjes op de radio rijmen. Dat zingt makkelijker!
    • 📜 In gedichten: Om een mooi verhaal korter op te schrijven.
    • 🎁 Met Sinterklaas: In Nederland maken we met Sinterklaas rijmpjes op de cadeautjes.
    • 👶 In kinderboeken: Kinderen leren zo heel snel nieuwe woorden onthouden.

     

Wat doe je? Hier ga je naar de klanken luisteren als veel nieuwe woorden leren. 

1. Rijmen.
2. Rijmen.
3. Rijmen.
4. Rijmen. 

Rijmen pdf

 

6. Woorden plakken

Wat is "woorden plakken" nou écht?

In het Nederlands hebben we een hele gekke, unieke taaleigenschap: we schrijven woorden die bij elkaar horen bijna altijd helemaal aan elkaar vast. We plakken ze letterlijk aan elkaar tot één nieuw, lang woord. 

    Twee losse betekenissen worden één nieuw ding 

Bijvoorbeeld: je neemt twee woorden die allebei al los bestaan en plakt ze samen. Het nieuwe woord krijgt een heel eigen betekenis.

    • Slaap + Kamer = Slaapkamer.
    • Vlees + Mes = keukenmes.

      De Lidwoord-Regel (De of Het?)

    Welk lidwoord krijgt het nieuwe woord? Kijk altijd naar het laatste woord!

    • De kamerDe Slaapkamer.
    • Het mes = Het keukenmes. 

     

    Wat ga je doen?
    Je maakt de onderstaande lessen. En herhaal het gerust nog een keer.

    1. Woorden plakken.     1a.     1b.     1c.     1d     1e.
    2. Woorden plakken.     2a.     2b.     2c.     2d.   2e. 
    3. Woorden plakken.     3a.     3b. 
    4. Nog meer oefenen met woorden plakken.


    7. Enkelvoud, meervoud en lettergrepen

    Wat is enkelvoud?

    Enkelvoud betekent: er is er maar 1.
    Je praat over één mens, één dier of één ding.

    • De man (1 man)
    • Het kind (1 kind)
    • De pen (1 pen)

     

    Wat is meervoud?

    Meervoud betekent: er zijn er meer.
    Dus 2, 3, 10 of heel veel mensen, dieren of dingen.

    • De mannen (meer mannen)
    • De kinderen (meer kinderen)
    • De pennen (meer pennen)

      Wat is een lettergreep?

      Als we een lang woord uitspreken, doen we dat automatisch in delen. Elk deel dat je in één keer met je mond uitspreekt, is een lettergreep.

       

      👏 De klaptip.

      De makkelijkste manier om lettergrepen te tellen, is door mee te klappen met je handen terwijl je het woord langzaam zegt:

    • Pen (1 klap)  bestaat uit 1 lettergreep.  👏
    • Woor-den (2 klappen)  bestaat uit 2 lettergrepen.  👏 👏
    • Fa-mi-lie (3 klappen)  bestaat uit 3 lettergrepen.  👏 👏 👏

       

      1. Enkelvoud.
      2. Enkelvoud.
      3. Enkelvoud.

      1. Meervoud.
      2. Meervoud.
      3. Meervoud.

      1. Lettergrepen.
      2. Lettergrepen.
      3. Lettergrepen.


      8. De themalessen: Kijken en begrijpen

       

      • Hier leer je woorden over het dagelijkse leven. Je gaat oefenen met luisteren en schrijven.

        Begrijp je een woord niet?
        Gebruik dan een woordenboek van het Nederlands naar je eigen taal.

        Wat ga je doen?

      • Klik op een oefening hieronder.
      • Kijk naar de video.
      • En kies het juiste antwoord.
      • Daarna ga je aan de slag met het werkblad.

         

        Kijken                                                     Werkbladen

        1. Wat een mooi huis.                          1. Wat een mooi huis.
        2. Dag buurvrouw                                2. Dag buurvrouw.
        3. Mag ik dit ruilen?                             3. Mag ik dit ruilen? 
        4. Dokter, ik ben ziek.                          4. Dokter, ik ben ziek.
        5. Sorry, ik meld me ziek.                    5. Sorry, ik meld me ziek.
        6. Vrijwilliger, ja, leuk!                          6. Vrijwilliger, ja leuk.
        7. De brief van school.                         7. De brief van school.

        8. De supermarkt.                                8. De supermarkt.
        9. De cursus.                                       9. De cursus.
        10. Het apparaat.                                10. Het apparaat.
        11. De cursus. 2                                  11. De cursus 2.
        12. De bibliotheek.                              12. Naar de bibliotheek.
        13. De inbreker.                                        Hier is geen werkblad van.

         


        9. Woorden slepen

         

        🖱️ Hoe werkt het ?

        1. Kijken en lezen: Je leest de zin en kijkt naar de losse woorden.
        2. Slepen: Met de muis (of met je vinger op een tablet/smartphone) "pak" je een los woord op.
        3. Plakken: Je schuift het woord naar het lege vakje in de zin en laat het daar los.
        4. Laatste les: typ het woord

         

         

        1. Sleep het juiste woord in de zin.
        2. Sleep het juiste woord in de zin.
        3. Sleep het juiste woord in de zin.

        1. Typ het juiste woord dat hoort in de zin.
        2. Typ het juiste woord dat hoort in de zin.
        3. Typ het juiste woord dat hoort in de zin.

        1. Typ het juiste woord.
        2. Typ het juiste woord.
        3. Typ het juiste woord.


        10 . Begrijpend lezen.

         

         

         

           

        Hoe werkt dit?

        • Lees het verhaaltje.
        • Maak de vragen.
        • Maak de hele pagina af voor je de pagina sluit. Doe je dit wel! Dan moet je alles opnieuw doen!
        • Klik daarna op verzenden.
        • Klik op: Resultaten weergeven.
        • Dan zie je hoeveel antwoorden je goed hebt.

        Dit programma is ook geschikt voor het leren van lettergrepen, zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijwoorden. Dit doe je samen met je docent of taalcoach. Er zit een vertaler bij die werkt als een beeldwoordenboek.

         

        1. Ik lees mee kern 4.
        2. Ik lees mee kern 4.
        3. Ik lees mee kern 4.
        4. Ik lees mee kern 4.
        5. Ik lees mee kern 4.

        1. Ik lees mee eind kern 4.
        2. Ik lees mee eind kern 4.
        3. Ik lees mee eind kern 4.
        4. Ik lees mee eind kern 4.

         


        11. Klokkijken digitaal.

        Wat ga je doen?

        • Klik op een oefening hieronder.
        • Kijk naar de digitale tijd.
        • En vul de tijd in spreektaal in.
        • Spreek de tijd hardop na!

         

         
        Online oefenen.                                   Werkbladen.

        1. Hele uren.                                       1. De hele uren.
        2. Halve uren.                                     2. De halve uren.
        3. De kwartieren.                                3. De kwartieren.
        4. De 10 minuten.                               4. De 10 minuten.
        5. De 5 minuten.                                 5. De 5 minuten.
        6. De 3 minuten.                                 6. De 3 minuten.
        7. De herhaling.                                  7. De herhaling.

        12. Zet alles in alfabetische volgorde.

         

         

        Waarom moet je dit leren?

        Het ordenen van informatie op alfabetische volgorde is een basisvaardigheid. Het helpt je om structuur aan te brengen en snel dingen terug te vinden.

        Denk aan:

        • Het zoeken van een woord in een woordenboek.
        • Het zoeken van een naam in een lijst.
        • Op de computer staan mappen en bestanden ook standaard op alfabet.

         

         

        Wat moet je doen?

        • Stap 1: Kijk naar de eerste letter van elk woord.
          Stap 2: Welke letter komt het eerst in het alfabet? Dat woord zet je voorop.
          Stap 3: Hebben de woorden dezelfde eerste letter? Dan kijk je naar de volgende letter van het alfabet.

         

        Online oefenen
        1. video uitleg. Alfabetische volgorde 
        2. Alfabetische volgorde 
        3. Alfabetische volgorde 
        4. Alfabetische volgorde 
        5. Alfabetische volgorde 


        13. Luisteren en spreken  2

        🛠️ Wat heb je nodig voor de les?

        Je hebt een laptop, een tablet of een smartphone nodig.
        En je hebt een koptelefoontje met een microfoon nodig.

         Luisteren
        1. Een afspraak bij de huisarts
        2. Een huisdier 
        3. Het nieuws 
        4. Het weerbericht 
        5. De vakantie 
        6. Toets 1 
        7. Toets 2
        8. Toets 3.
        9. Toets 4.

        Spreken A2

        1. Advies vragen.
        2. Een mening geven. 
        3. Een uitleg vragen en geven. 
        4. Wat ga je doen en wat heb je gedaan?
        5. Aan de telefoon. 
        6. Toets


        12. Werkwoorden en het voltooid deelwoord.

        De keuze tussen te/ten (met één -t) of de/den (met één -d) is afhankelijk van het werkwoord. Schrijf je het met tt of dd, dan gaat het over de verleden tijd. De regel van 't kofschip bepaalt welke variant gebruikt wordt.

        1. Download 't kofschip pdf     

        1

        de of te?             den of ten?                 Dubbel -tten / -dden
        1.                       1.                               1. 
        2.                       2.                               2. 
        3.                       3.                               3. 
        4.                       4.                               4. 

        Wat is een voltooid deelwoord?

        Als iets al is gebeurd en klaar is, gebruik je het voltooid deelwoord.

        • Nu: Ik fiets.
        • Al gebeurd: Ik heb gefietst.

        Een voltooid deelwoord begint meestal met ge-, maar ook vaak met be-, ver- of ont-. Er zijn regelmatige en onregelmatige voltooid deelwoorden. Als het voltooid deelwoord op een -t of een -d eindigt, kun je de regels van het 't kofschip gebruiken.

        • -d (regelmatig)
        • -t (regelmatig)
        • -en (onregelmatig)

          2

           

          Video: uitleg de voltooide tijd. 
          1. Online oefenen 1.
          2. Online oefenen 2.
          3. Zet de voltooide tijd in de juiste zin.
          4. Zet de voltooide tijd in de juiste zin..
          5.Voltooide tijd.

         


        14. Tn1 iep-toets begrijpend lezen. 2

        📘 Hoe werkt dit?

        De toets bestaat uit 30 verhalen.
        Je leest eerst het hele verhaal.
        Daarna vul je de antwoorden in.
        Laat het na ieder verhaal nakijken.
        Zo weet je hoeveel vragen je goed hebt beantwoord.

        Tips: Hoe kun je begrijpend lezen leren? 

         

        1. Iep toets oefenen

        1. Brief in een fles.
        2. Bestaat hij?
        3. De juf.
        4. De schat.
        5. De wedstrijd.
        6. Dier met bulten.
        7. Dol op kleur.
        8. Japie.
        9. Lange wortels.
        10. Op de slee.

         

        Iep-toets 2.

        Begrijp ik het of heb ik hulp nodig?

        1. Bijna jarig. 
        2. Bijna voorjaar.
        3. Brrr.
        4. Coco kan het.
        5. De gulzige vos.
        6. De val.
        7. De vlag .
        8. Een bijzondere vogel.
        9. Een eigen moestuin.
        10. Een leeg huis.

         

        Iep-toets 3.

        Hier moet je het zelf doen!

        1. Halloween 
        2. Het duurt zo lang 
        3. Luchtballon 
        4. Maart roert zijn staart 
        5. Mijn droom 
        6. Niels wil naar huis 
        7. Spannend 
        8. Toen papa jong was 
        9. Fietshelm verplicht?
        10. Wel of geen vogel 


        15. Zinnen maken in o.t.t. en o.v.t. 2

        🧱 Grammatica: husselzinnen.

        In deze lessen gaan we zinnen maken. De woorden staan door elkaar. Jij moet de woorden op de juiste plaats zetten.

        We beginnen heel makkelijk met korte zinnen. Bij iedere nieuwe set komt er één woord bij. Zo leer je stap voor stap hoe je een goede Nederlandse zin maakt!

        We oefenen met twee soorten zinnen:

        1. De bevestigende zin: Je vertelt hoe het is (Maris kookt).
        2. De vraagzin: Je stelt een vraag (Kookt Maris?).

        Dit doen we in NU (tegenwoordige tijd) en in TOEN (verleden tijd).

         

        Wat zijn voegwoorden?

        Voegwoorden zijn plakwoorden. Het is net als woorden plakken!
        Alleen plak je nu geen twee losse woorden aan elkaar, maar twee zinnen.

         

        📝 Wat ga je doen in deze les?

        Je gaat leren om zinnen te maken, te schrijven en voegwoorden te gebruiken. De lessen bestaan uit 3 delen basisgrammatica. De schrijflessen bestaan ieder uit 5 sets. Ook de voegwoorden komen aan bod. Deze bestaan uit 8/ 9 sets

         

        1. Grammatica: husselzinnen 2

        1. Grammatica schrijven.
        2. Grammatica schrijven.
        3. Grammatica schrijven.

         

        2. Brieven lezen en schrijven. 2

        1. Een e-mail sturen naar school.                                                                              6.     6a.     6b.     6c.     6d.     6e. 

        2. Een app-bericht.
        7.     7a.     7b.     7c.     7d.     7e. 

        3. Simpel sollicitatiebrief schrijven.
        8.     8a.     8b.     8c.     8d.     8e. 

        4. Je aanmelden voor een cursus. 
        9.     9a.     9b.     9c.     9d.     9e. 

         

        3. de voegwoorden.

        • Download de uitleg en voorbeelden van de voegwoorden  

        1. Maar: 0. Video uitleg 
        1.     2.     3.     4.     5.     6.    7.     8.     9. Spreken 

        2. Of: 0. Video uitleg  
        1.     2.     3.     4.     5.     6.     7.     8.     9. Spreken 

        3. En: 
        1.     2.     3.     4.     5.     6.     7.     8.     9. Spreken 

        4. Want: 0. Video uitleg  
        1.      2.     3.     4.     5.     6.     7.     8.     9. Spreken 

        5. Dus: Let op: de volgorde van de woorden in de zin met 'dus' verandert.
        1.     2.     3.     4.     5.     6.     7.     8. 

        6. Omdat: Let op: de volgorde van de woorden in de zin met 'omdat' verandert. 0. Video uitleg  
        1.     2.     3.     4.     5.     6.     7.     8. 

        7. Welk koppelwoord moet er tussen?
        1.     2.     3.     4.     5. 


        16. Themaboekjes Melkweg taal: Alfa B

         

         

        Kan je niet naar de les komen?

        Het is geen probleem als je een tijdje niet naar de les kunt komen, bijvoorbeeld door langdurige afwezigheid.

        Hier staan handige themaboekjes die je thuis of op vakantie kunt gebruiken om samen met een Nederlandse vriend of vriendin te oefenen.

        • Je moet de boekjes wel zelf downloaden. Deze boekjes zijn niet online te doen. Dus print ze uit. Kan dat niet vraag een ander om te downloaden.
        • Wij vragen hiervoor € 2,50

        Uitleg: Wat moet ik hier doen? 

        1. Beterschap.
        2. De deur op slot.
        3. De basisschool. 
        4. Een dagje ouder.
        5. Een dak boven je hoofd.
        6. Een fijne wijk.
        7. Elke dag een pil.
        8. Goede reis.
        9. Help je mee?

        10. Iedereen fit.
        11. Kijk goed uit!
        12. Lekker warm.
        13. Naar buiten.
        14.Pinnen mag.
        15. Wat eet u vandaag?
        16. Wat leert je kind?
        17. Straat schoon, heel gewoon.