0

Online oefenen:Nederlands voor Beginners. Van A0 naar A1
Je kan me wat:

1

Online oefenen:De letterklanken 1
0. Letters schrijven?

1. De kleine alfabet
0. 1. 2. Y.t 3.

2. Wat is de 1e letter?
1. 2. 3. 4.

3. Wat is de 2e letter?
1. 2. 3. 4.

4. De laatste letter is?
1. 2. 3. 4.

5. Hoe schrijf je het?
1. 2. 3. 4.

6. De letter klanken in de mix


7. y.t Lange klanken


8. Hoe klinkt de lange klank?


9. Wat is de 1e letter?
1. 2. 3. 4.

10. Wat is de 2e letter?
1. 2. 3. 4.

11. Luister en kies het woord.
1. 2. 3. 4.

12. Hoe schrijf je het?
1. 2.

2

Online oefenen: De letterklanken 2
1. De 2 letter klanken.
Y,t. 2.

2. Wat is de 1e letter?
1. 2. 3.

3. Wat is de 2e letter?
1. 2. 3.

4. Hoe schrijf je het?


5. De a en de aa klank.
1. 2. 3.

6. De e en de ee klank.
1. 2. 3.

7. De o en de oo klank.
1. 2. 3.

8. De u en de uu klank.
1. 2. 3. 4. 5.

9. De letter R uitspreken.
1. 2. 3. 4. 5.

10. De letter B of P


11. De letter oe of uu


12. De letter i of ie

3

Nt2 A0 A1: De tegenstellingen.



Tegenstellingen 1
1. 2. 3. 4.

Tegenstellingen 2
1. 2. 3. 4.

Tegenstellingen 3
1. 2. 3. 4.

Toets tegenstellingen
Toets

4

Online oefenen:nt2
1. De dagen
1. 2. 3. 4. 5.

2. Tel van 0 t/m 20.
1. 2. 3. 4.

3. Kleur en vorm
1. 2. 3. 4. 5. y.t 6. 7.

4. Tel van 20 t/m 40.
1. 2. 3. 4.

5. Voorzetsels: waar zit of staat het?
1 2. 3. Y.t. 4. 5. wb

6. De seizoenen en de maanden
1. Y.t. 2. 3. 4.y.t. 5. 6. 7.

7.De natuur
1 1a. 2. 2a. 3. 3a 4.

8. Het huis: in en rondom het huis
0. Y.t. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
8. Y.t 9. 9a 10.

9. De familie en het gezin.
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
9. 10 Y.t 10a 11. 12.

10. Het lichaam
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
9. 10. 11.

11. Het eten en drinken
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
9.

12. In en buiten de school
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

5. Start lezen A0 naar A1+

Hoe werkt dit?
Lees ieder dag 4 kort verhaaltjes (hier worden nog geen hoofdletters gebruikt)

Dit programma is ook geschikt voor het leren van lettergrepen, zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijwoorden. Dit doe je met je docent of taalcoach.
Er zit een vertaler bij als een beeldplaat woordenboek.

1. Ik lees kern 1.
1.
2.
3.
4.

2. Ik lees kern 1+.
1.
2.
3.
4.
3. Ik lees eind kern 1+
1.
2.
3.
4.

4. Ik lees kern 2
1.
2.
3.
4.
5. Ik lees eind kern 2+
1.
2.
3.
4.

6. Korte zinnen maken A1+.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.

6

Nt2 A1:1. Werkwoorden
Uitleg:Infinitief = De onbepaalde wijs.(o.w.)
Dit is de basisvorm van het hele werkwoord:
Het vertelt wat er nu gebeurt of net gebeurde.
1. De werkwoorden o.t.t
1. 2. 3. 4. 4a. 5.

1. De werkwoorden o.v.t
1. 2. 3. 4. 4a. 5.

7

De analoge klok.
De afkorting w.b. is een toets werkblad.
De hele uren
1. 2. 3. 4. w.b.

De halve uren
1. 2. 3. 4. w.b.

De kwartieren
1. 2. 3. 4. w.b

De 10 minuten
1. 1a. 2. 2a. 3. 4. w.b

De 5 minuten
1. 2. w.b

De Minuten
1. 2. w.b

De herhaling
1. 2. w.b

8

Online oefenen Nt2: De persoonlijke voornaamwoorden.
En de bezittelijke voornaamwoorden.
De persoonlijke voornaamwoorden
1. 2. 3. 4. 5.

Van wie is het?
1. 2 . 3. 4 . 5 .

Door elkaar
1 . 2.

9

Online oefenen Nt2:
1. In huis / verhuizen
1. 2. 3. 4. 5. 6.
7. 8. 9.y.t 9a. 10.

2. Tel van 40 t/m 60.
1. 2. 3. 4.

3. Het vervoer
1. 2. 3. 4. 5. 6.

4. Vrij
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

5.Tel van 60 t/m 80.
1. 2. 3. 4.

6. De vrienden
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

7. Tel van 80 t/m 100
1. 2. 3. 4.

8. De winkel
1. 2. 2a. 3. 4. 5. 6. 7.

9. Op straat
1. 2. 2a. 3. 4. 5. 6. 7.

10

Nt2 A0 tot a2: 2 Werkwoorden.
Uitleg:Infinitief = De onbepaalde wijs.(o.w.)
Dit is de basisvorm van een werkwoord: Het vertelt wat er gebeurt of gebeurde.
2. De werkwoorden o.t.t
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

2. De werkwoorden o.v.t
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Maak nu de lessen van de werkbladen taalklas.1 vak 11

11

Werkbladen: Taalklas 1.
Lees de verhalen of zinnen.
Schrijf de vraagzinnen en antwoorden in je schrift op.
Taalklas. 1
1. Het huis
2. Het lichaam
3. Het weer
4. De familie
5. Het eten
6. Op school
7. In huis
8. Het openbaar vervoer
9. Lekker vrij
10. De vrienden
11. In de winkel
12. Op straat
Taalklas. 1 extra
1. De familie
2. Reizen
3. Koken
4. Het lichaam
5. De Natuur
6. Sporten
7. De school
8. Het ziekenhuis
9. Het gevaar
10. De klussen
11. Het gevoel
12. Het feest

12

Werkbladen: Station Nederlands 1
Station Nederlands 1

13

NT2 online oefenen: Brieven lezen en schrijven.
Je oefent om een korte brief of bericht op te schrijven, met een begin,
midden en einde, zodat de lezer je verhaal goed kan volgen.
1. Brief 1a. 1b. 1c. 1d. 1e.
2. Brief 2a. 2b. 2c. 2d. 2e.
3. Brief 3a. 3b. 3c. 3d. 3e.
4. Brief 4a. 4b. 4c. 4d. 4e.
5. Brief 5a. 5b. 5c. 5d. 5e.
6. Brief 6a. 6b. 6c. 6d. 6e.
7. Brief 7a. 7b. 7c. 7d. 7e.
8. Brief 8a. 8b. 8c. 8d. 8e.
9. Brief 9a. 9b. 9c. 9d. 9e.

14

Nt2 A1 A2 online oefenen: Luisteren en Spreken toets.
Hierbij heb je één van deze spullen nodig: laptop, tablet, smartphone. En een koptelefoontje met microfoon.
Toets luisteren
1. Oefen T luisteren A1.
2. Oefen T luisteren A1.
3. Oefen T luisteren A1.
Spreken
Les 1
Les 2
Les 3
Les 4
Les 5
Les 6
Spreken
Les 7
Les 8
Les 9
Les 10
1. SPR T
2. SPR T

15

Verplichte oefeningen: Zinnenmaken (o.t.t. en o.v.t.)
Bevestigende zinnen >Wie (De jongen) — Werkwoord (eet / at) — Wat (een appel) — Waar (in de klas.)
Vraagzinnen
> Werkwoord (Eet / at) — Wie (de jongen) — Wat (een appel) — Waar (in de klas?)
Online oefenen
Uitleg Zinnen maken
Bevestigende zinnen 1 Vraagzinnen 1
Bevestigende zinnen 2 Vraagzinnen 2
Bevestigende zinnen 3 Vraagzinnen 3
Bevestigende zinnen 4 Vraagzinnen 4
Bevestigende zinnen 5 Vraagzinnen 5
Bevestigende zinnen 6 Vraagzinnen 6
Werkbladen.
Download de bestanden
Zinnen maken 1
Zinnen maken 2
Zinnen maken 3
Zinnen maken 4
Zinnen maken 5
Zinnen maken 6.
Vraagzinnen maken 6.

16. Tn1 iep-toets begrijpend lezen

Hoe werkt dit?
De toets bestaat uit 15 verhalen en deze moet je alleen maken.
Je leest eerst het hele verhaal, daarna vul je de antwoorden in.
Laat na ieder verhaal nakijken hoeveel vragen je goed hebt beantwoord.

iep-toets 1.
1.
2.
3.
4.
5.
iep-toets 2.
1.
2.
3.
4.
5.
iep-toets 3.
1.
2.
3.
4.
5.

Themaboekjes Melkweg taal: Alfa A

Praten, lezen en schrijven

(dit doe je met je docent of taalcoach)

Uitleg: Wat moet ik hier doen?
Heel veel woorden.
Gezond eten.
Naar de winkel.
Een ander huis
Waar woon jij?
Wat voor werk doe jij?
De tandarts.
De dokter
Reizen.
Stem jij ook?
Stemmen:video
Het lichaam: a1/a2.

Gefeliciteerd, je hebt TN1 afgerond, je mag naar TN 2.